Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR7338

Datum uitspraak2004-11-23
Datum gepubliceerd2004-12-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/927 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO. Stap-2-functies als bedoeld in de bijlage bij het Besluit Uurloon Schatting. Juistheid ten aanzien van betrokkene in aanmerking genomen beperkingen.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/927 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 november 2000 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% is. Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 januari 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar gegrond verklaard en de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid op de datum in geding vastgesteld op 15 tot 25%. De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 21 januari 2003, reg.nr. AWB 02/269 WAO I, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde, onder bijkomende bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Namens gedaagde heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 12 oktober 2004, waar partijen - gedaagd met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING In het kader van de onderhavige schatting is appellant aanvankelijk bij de bepaling van de omvang van de maatman van gedaagde van een lager aantal arbeidsuren per week uitgegaan dan geclaimd door gedaagde. Ter zitting bij de rechtbank zijn partijen evenwel overeengekomen dat de omvang van de maatman op 28 uur per week gesteld moet worden. Dienaangaande heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiseres - als volgt overwogen: “Niet meer in geding is dat de urenomvang van eiseresses maatvrouw 28 uur bedraagt. Verweerder heeft echter een arbeidsmogelijkhedenlijst samengesteld, waarbij functies zijn geselecteerd uitgaande van een urenomvang van 13 uur. Op basis van die lijst heeft verweerder aan eiseres functies voorgehouden op grond waarvan een mate van arbeidsongeschikt- heid van 15-25% is vastgesteld. De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat, indien verweerder bij de selectie van functies was uitgegaan van de correcte urenomvang van 28 uur, dit geen wijziging van de arbeidsmogelijkhedenlijst ten gevolg zou hebben. Hieruit volgt tevens dat het voor de rechtbank niet vaststaat dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% als juist dient te worden beschouwd”. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte op vorenomschreven gronden het bestreden besluit heeft vernietigd, aangezien een maatman van 28 uur geen andere arbeidsmogelijkhedenlijst tot gevolg heeft dan de arbeidsmogelijkheid zoals deze ten behoeve van het bestreden besluit is opgesteld, zodat naar de mening van appellant de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% wel degelijk juist is. Het hoger beroep van appellant slaagt, waardoor de Raad het volgende overweegt. De Raad kent aan de door de rechtbank opgeworpen vraag of een andere arbeidsmogelijkheden uit de bus zou zijn gekomen indien direct functies zouden zijn geselecteerd op basis van de eerst naderhand door appellant als juist erkend maatgevende omvang van 28 uur per week, geen doorslaggevende betekenis toe nu de functies die voorkomen op de thans gebruikte arbeidsmogelijkhedenlijst – welke na aanpassing van de maatgevende omvang zijn te beschouwen als zogeheten stap-2-functies als bedoeld in de bijlage bij het Besluit Uurloon Schatting - in het licht van de inmiddels ter zake tot stand gekomen rechtspraak van de Raad, waarin een schatting op zodanige functies rechtens is aanvaard, ook na evenbedoelde aanpassing nog steeds een rechtens juist te achten grondslag van de onderhavige schatting vormen. De door de rechtbank aan de vernietiging van het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering is mitsdien onjuist. Voorts overweegt de Raad nog als volgt. Gedaagde heeft in haar verweerschrift haar grieven tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd, maar heeft haar medische standpunt niet nader onderbouwd, zodat de Raad geen aanleiding ziet om het terzake door de rechtbank uitgesproken oordeel, samengevat neerkomend op een onderschrijving van die medische grondslag, niet te volgen. Met de rechtbank is de Raad van mening dat in de voorhanden medische gegevens voldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van gedaagde op de datum in geding juist zijn vastgesteld. Ten slotte is de Raad van oordeel dat uitgaand aldus van de juistheid van de ten aanzien van gedaagde in aanmerking genomen beperkingen, de bij de schatting gebruikte functies terecht als passend zijn aangemerkt. Nu de Raad in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook voor het overige geen aanleiding heeft om het bestreden besluit rechtens niet juist te achten, vloeit uit het vorenoverwogene voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2004. (get.) J.W. Schuttel. (get.) T.R.H. van Roekel.